Planning van de vlucht met het oog op repatriëring is geen aanvechtbare rechtshandeling

De Raad werd gevat door een vordering, ingesteld door een Soedanees onderdaan die op 6 september 2017 onderworpen werd aan een bevel om het grondgebied te verlaten met terugleiding naar de grens. Ter terechtzitting zet de advocaat van verzoeker uiteen dat hij niet de beslissing van 6 september 2016 aanvecht, maar enkel de vlucht met bestemming Khartoum die voor 6 oktober 2017 was gepland.

Nochtans vormt de planning van de vlucht met het oog op de terugleiding van de verzoekende partij een loutere uitvoeringsmaatregel van het bevel om het grondgebied te verlaten, zodat dit geen rechtshandeling betreft die vatbaar is voor nietigverklaring en bijgevolg evenmin voor schorsing door de Raad.

De vordering is niet ontvankelijk.

De Raad brengt echter in herinnering dat de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel op zich een inbreuk kan uitmaken op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zonder zich hierover in onderhavige zaak te kunnen uitspreken, omwille van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, vestigt de Raad de aandacht van het bestuur op de bekommernissen die door verzoeker werden geuit in geval van een terugkeer naar Soedan (RvV 8 oktober 2017, nr 193 296).

In dezelfde zin : zie RvV 8 oktober 2017, nr. 193 297.

09/10/2017