De Algemene Vergadering van de Raad onderzoekt de vraag of de indiening van een verzoek om internationale bescherming in België of het loutere verblijf in België, voor Burundese onderdanen volstaat om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade te doen ontstaan in geval van terugkeer naar Burundi.
Het surveillancesysteem van de Burundese overheid wordt weliswaar in staat geacht om bepaalde inlichtingen te vergaren over gedragingen van hun onderdanen in het buitenland, zeker wanneer deze een specifiek (politiek) profiel hebben. De beschikbare actuele landeninformatie laat evenwel niet toe te concluderen dat Burundese onderdanen bij terugkeer naar Burundi automatisch problemen ondervinden uitsluitend omwille van hun verblijf en/of de indiening van een verzoek om internationale bescherming in België.
Er kan dus niet a priori in hoofde van elke Burundees die vanuit België naar Burundi terugkeert een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade worden aangenomen louter en alleen omwille van het verblijf in België en/of de indiening van een beschermingsverzoek. Dit is eerder afhankelijk van individuele factoren zoals de etniciteit van de betrokkene, zijn geografische herkomst, persoonlijke of familiale banden met leden van de oppositie en de visibiliteit van eventuele gedragingen in België (RvV 21 november 2025, nr. 336 435 (AV), RvV 21 november 2025, nr. 336 436 (AV)).

