Rekening houdend met de antwoorden die door het HvJ werden gegeven in zijn arrest in de gevoegde zaken C-636/23 (Al Hoceima) en C-637/23 (Boghni), overweegt de Raad dat de beslissing om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan, in weerwil van de beweringen van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen, geen uitvoeringsmaatregel behelst van het bevel om het grondgebied te verlaten waartegen geen beroep mogelijk zou zijn. De verzoekende partij kan dus grieven formuleren, gericht tegen deze beslissing. Indien deze grieven als gegrond worden beoordeeld, dient het terugkeerbesluit in zijn geheel te worden vernietigd. De verenigde kamers stellen vast dat het middel ongegrond is in zoverre het gericht is tegen de beslissing om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan. Het beroep wordt op dit punt verworpen.
Anderzijds treedt de Raad de vaststelling bij van de verzoekende partij dat de beslissing om een inreisverbod met een duur van twee jaar op te leggen op twee onderscheiden motieven stoelt waarvan er één geen steun vindt in het administratief dossier. Het inreisverbod wordt bijgevolg vernietigd (RvV 1 december 2025, nr. 336 990 (VK).

