Toepassingsgebied van de ‘bijzonder schrijnende situaties’ uit artikel 42quater, §4, 4° van de vreemdelingenwet

De Raad werd gevat met een beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing waarbij het verblijfsrecht wordt beëindigd (bijlage 21) omdat er geen gezamenlijke vestiging meer was met de stiefvader-referentiepersoon. In zijn arrest bevestigt de Raad het standpunt van de verzoeker dat er door de verwerende partij een onjuiste invulling wordt gegeven aan artikel 42quater, §4, 4° van de vreemdelingenwet.

Luidens deze wetsbepaling kan geen toepassing worden gemaakt van de beëindigingsgrond uit artikel 42quater, §1, 4° van de vreemdelingenwet indien “het familielid” aantoont ten tijde van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap slachtoffer te zijn geweest van intra-familiaal geweld.

Volgens de verwerende partij geldt deze uitzondering op de beëindigingsgrond niet indien men het verblijfrecht verkreeg als descendant van de referentiepersoon.

Hoewel de verzoeker in dit geval slechts zeer beperkte informatie aanbracht over zijn “bijzonder schrijnende situatie” zoals bedoeld in artikel 42quater, §4, 4° van de vreemdelingenwet, blijkt uit niets dat descendanten geen beroep zouden kunnen doen op deze uitzonderingsgrond, zoals de verwerende partij voorhoudt. De wetsbepaling bevat immers geen verdere voorwaarden inzake de familiale band, waardoor verzoeker niet kan worden uitgesloten van het toepassingsgebied ervan, louter omdat hij een descendant zou zijn. De beëindigingsbeslissing werd daarom vernietigd (RvV 31 juli 2025, nr. 330 565).

15/10/2025